ACLVB wil een betere vergoeding van woon-werkverkeer met privéwagen
Uit drie verschillende studies blijkt dat 31 tot 39 % van de Belgen in een zeer moeilijk bereikbare locatie woont (bron: CRB). Meestal is de fiets of het openbaar vervoer voor hen geen optie waardoor zij hun woonwerk-verkeer of hun boodschappen met de auto moeten doen.
Hetzelfde geldt voor de werkplaats. Volgens de federale diagnostiek woon-werkverkeer is 27 % van de vestigingen van ondernemingen zeer moeilijk bereikbaar en is 60 % moeilijk bereikbaar. Dit treft één op de twee werknemers. De bereikbaarheid van de vestiging vormt in het bijzonder een probleem voor de groep werknemers die ver van het werk wonen. Voor wie bijvoorbeeld op meer dan 15km van het werk woont is het moeilijk om zich met actieve modi naar het werk te verplaatsen. Eén op de vijf werknemers ervaart dit dubbele obstakel: ze wonen verder dan 15 km van hun werkplaats en die is moeilijk bereikbaar. De grote meerderheid van deze groep werknemers woont dan ook nog afgelegen in een moeilijk bereikbare gemeente. Dit maakt de auto voor de woon-werkverplaatsingen bijna onmisbaar.
Niet elke werknemer is gelijk: grote verschillen per sector
Een Belgische werknemer die zich met de eigen wagen naar het werk verplaatst, krijgt hiervoor gemiddeld een vergoeding van € 508,15/jaar (cijfers 2023, bron: studie FOD Sociale Zekerheid & SD Worx), wat in de buurt van het fiscaal plafond van € 500 per jaar ligt, alsook in de buurt van 50 % van de prijs van een treinabonnement voor de gemiddelde woon-werkafstand van 21 km (€ 566,5 in 2026).
Onderliggend manifesteren er zich echter belangrijke verschillen:
- 124 van de 166 paritaire (sub)comités hebben een sectorale cao die voorziet in een vergoeding voor de woon-werkverplaatsingen met de privéwagen. Dit heeft betrekking op 95,2% van de werknemers in de privésector. De meerderheid van deze sectoren (86 van de 124 of 49,6 % van de werknemers in de privésector) voorziet een vergoeding die gebaseerd is op de prijs van een treinabonnement naargelang de woon-werkafstand.
- Zo’n 42 van de 166 P(S)C’s hebben geen cao gesloten over een werkgeversvergoeding voor woon-werkverplaatsingen afgelegd met de privéwagen. Het gaat om 4,8 % van de werknemers in de privésector. Rekening houdend met de modale verdeling van het woon-werkverkeer per paritair comité (zoals die blijkt uit de resultaten van de editie 2021-2022 federale diagnostiek woon-werkverkeer) zijn er ongeveer 100.000 autopendelaars waarvoor geen sectorale tussenkomst in de kosten van de woon-werkverplaatsingen met de privéwagen wordt voorzien.
Daarnaast zijn er ook P(S)C’s waarbij de vergoeding laag ligt en dit dus een hinderpaal kan vormen om in die sector aan de slag te gaan of blijven. Enkele voorbeelden:
- In PC 200 (meer dan 400.000 autogebruikers) is de vergoeding van 50 % van de prijs van een treinkaart enkel verplicht voor werknemers met een jaarloon lager dan € 34.654/jaar.
- In PC 207 (meer dan 70.000 autogebruikers) krijgen enkel werknemers die onmogelijk gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer een vergoeding.
In verschillende PC’s (zoals PC 112, PC 149 en PC 310)7 is de vergoeding beperkt tot 20 % van de forfaits van cao 19. Dat is dus slechts ongeveer 14 % van de prijs van een treinabonnement.
Groene mobiliteit blijft het mantra, maar nood breekt wet
De oliecrisis die zich lijkt af te tekenen toont nog maar eens aan dat we snel de overstap moeten maken naar duurzame en elektrische mobiliteit. Maar voor wie vandaag niet op openbaar vervoer, fietsinfrastructuur of een elektrische wagen kan rekenen, dreigt de prijs om naar het werk te gaan de pan uit te swingen.
Onze eis
Een eerlijke vergoeding voor iedereen
Daarom vraagt ACLVB dat elke werknemer wiens woon-werkverplaatsingen met de privéwagen niet gedekt worden door een sectorale regeling, een vergoeding krijgt die overeenkomt met minstens 70 % van de prijs van een treinkaart met minimumafstand van 3 km enkel, een courant gehanteerde vergoeding in veel P(S)C’s.
Ter illustratie, twee voorbeelden van de prijs van een treinkaart in 2026:
- 10 km enkel: € 739/jaar (dus vergoeding = € 517,3/jaar of € 43,11/maand)
- 21 km enkel (= gemiddelde woon-werkafstand): € 1.133/jaar (dus vergoeding = € 793,1/jaar of € 66,09/maand)
Dit moet bij voorkeur geregeld worden in de vorm van een suppletieve cao, analoog aan cao 164 voor de fietsvergoeding. Dit zou ook sectoren die wel reeds afspraken hebben gemaakt, moeten aanmoedigen zich te oriënteren naar deze 70%. Vergoedingen inzake mobiliteit moeten bovendien buiten de loonnorm worden gehouden.
Een tijdelijke verhoging van de fiscale vrijstelling voor de werkgeverstussenkomst in de woon-werkverplaatsingskosten
ACLVB vraagt ook een tijdelijke verhoging van de fiscale vrijstelling voor de werkgeverstussenkomst in de woon-werkverplaatsingskosten voor werknemers die geen gebruikmaken van het (georganiseerd) openbaar vervoer of de fiets. Gezien de gemiddelde woon-werkafstand van 21 kilometer (enkel), stellen wij voor de vrijstelling éénmalig te verhogen naar 70% van de kostprijs van een treinkaart voor deze afstand. Voor het inkomstenjaar 2026 impliceert dit een tijdelijke verhoging van het fiscale plafond van € 500 naar € 800.
Andere maatregelen die de modal shift bevorderen en versnellen
- Een herziening van cao 19: optrekken van het werkgeversaandeel met ultiem doel een veralgemeende derdebetalersregeling voor alle vormen van openbaar vervoer incl. aanverwante diensten.
- Een maximale fietsvergoeding voor elke werknemer (= € 0,37/km) en de afschaffing van het fiscaal en parafiscaal vrijgesteld jaarplafond voor de fietsvergoeding, dat in 2025 € 3.610/jaar bedroeg.
- De uitbreiding van cafetariaplannen naar leasing-formules voor duurzame mobiliteit.
Meer weten?
Voor bijkomende voorstellen ter bevordering van een kwalitatieve, betrouwbare, duurzame en veerkrachtige mobiliteit, cfr. p. 75 in de doelstellingen 2030