De regering toestaan om verenigingen te ontbinden en te verbieden?
Een bedreiging voor de vrijheid van vereniging
Dat is precies wat er momenteel op tafel ligt binnen de federale regering: een voorontwerp van wet van minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken Bernard Quintin dat voorziet in een versnelde procedure voor de administratieve ontbinding van een vereniging met rechtspersoonlijkheid en van een feitelijke vereniging. De regering riskeert daarmee afbreuk te doen aan de vrijheid van vereniging. Dat wordt nochtans beschermd door artikel 27 van de Grondwet, en is een mensenrecht dat een zeer rijk verenigingsleven heeft opgeleverd.
Achter geruststellend bedoelde termen als “nationale veiligheid”, “democratische orde” en “preventie van radicalisme” schuilt een mechanisme dat de uitvoerende macht zou toestaan om verenigingen of eenvoudige collectieven te ontbinden, te verbieden of hun vermogen te bevriezen, zonder tussenkomst van de rechter. Een gevaarlijke piste.
De voorgestelde wet zou de minister van Binnenlandse Zaken bevoegd maken om, op basis van rapporten van de veiligheidsdiensten, de ontbinding van een vereniging voor te stellen aan de ministerraad. De tekst voorziet ook in stevige sancties, inclusief strafrechtelijke sancties voor individuen. Zo zou een persoon die een activiteit van een ontbonden vereniging bijwoont, een gevangenisstraf van 6 maanden tot 3 jaar riskeren. Hetzelfde geldt voor iedereen die verboden symbolen zou gebruiken.
Het Federale Instituut voor de Rechten van de Mens (FIRM) luidde alvast de alarmbel. In hun advies stellen ze dat de voorgestelde maatregelen “een belangrijke inmenging [vormen] in de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting” en dat een “inbreuk op deze rechten enkel mogelijk [is] indien voldaan is aan drie criteria: voorzien zijn bij wet (wettigheidscriterium), een legitiem doel nastreven (legitimiteitscriterium), noodzakelijk zijn in een democratische samenleving om het beoogde legitieme doel te bereiken (proportionaliteitscriterium).” Net als het FIRM vinden onze organisaties dat het voorontwerp ernstige problemen stelt wat betreft wettigheid en proportionaliteit.
Erg vage termen
Het voorontwerp bedient zich van vage termen zonder duidelijke wettelijke basis. Ten eerste verwijzen de doelstellingen naar ongedefinieerde concepten als “radicalisme” en “omzeilen van doeleinden”. Dergelijke vage begrippen laten te veel ruimte voor interpretatie en hoe ze zullen worden toegepast is daardoor onduidelijk en onvoorspelbaar.
De bedoeling is ook om het mogelijk te maken om feitelijke groeperingen te ontbinden – groeperingen die van nature geen rechtspersoonlijkheid hebben. Hoe kan je iets juridisch ontbinden dat juridisch niet bestaat en hoe dwing je dat af? Het antwoord is zo vaag dat het huidige ontwerp zou “kunnen leiden tot het geleidelijk ontstaan van een lijst van termen en slogans waarvan het gebruik verboden zou zijn voor de hele bevolking.” Meer dan één brug te ver.
Het voorontwerp sluit wel de toepassing expliciet uit voor een reeks organisaties: politieke partijen, vakbonden, religieuze groeperingen en organisaties “waarvan het werkelijke doel uitsluitend van politieke, syndicale, filantropische, filosofische of religieuze aard is, of die uitsluitend een ander legitiem doel nastreeft”. Een bepaling die allicht geruststellend bedoeld is, maar ook hier is de terminologie veel te vaag. Zo moet een politieke partij erkend zijn, maar wat is een erkende partij? Of een erkende vakbond?
Evenzo bepaalt het voorontwerp dat als het doel van de vereniging afwijkt van haar oorspronkelijke doel, het wetsontwerp alsnog van toepassing is. Wie beslist dat het doel van Amnesty International, de vakbonden of Greenpeace al dan niet ‘afwijkt’ van het oorspronkelijke doel? De minister van Binnenlandse Zaken?
Dergelijke vaagheid brengt duidelijke gevaren met zich mee. Minister Quintin’s voorstellen dreigen zo een instrument te creëren waarmee een regering die daartoe geneigd is, tal van organisaties aan kan pakken en de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting kan inperken.
Rechten van verdediging
Een andere reden tot bezorgdheid is dat het voorontwerp aan de uitvoerende macht buitensporige bevoegdheden toekent, via een versnelde procedure, zonder de nodige garanties van het recht op verdediging of het recht op een eerlijk proces.
Er zou slechts een eenvoudige hoorzitting met een ambtenaar worden gepland, zonder de zekerheid dat een advocaat daarbij aanwezig kan zijn. Bovendien zou de getroffen organisatie geen toegang hebben tot het doorslaggevende rapport van het Coördinatiecomité voor Inlichtingen en Veiligheid, waarop de beslissing zou worden gebaseerd. En voor feitelijke verenigingen zal dit de facto niet bestaan.
De ontbinding of het verbieden van een vereniging is één van de meest verregaande inperkingen op het recht op vrijheid van vereniging. De speciale rapporteur van de Verenigde Naties voor het recht op vreedzame vergadering en vrijheid van vereniging benadrukt daarom dat de ontbinding van een vereniging alleen mogelijk mag zijn in geval van duidelijk en imminent gevaar als gevolg van een flagrante schending van de nationale wetgeving, in overeenstemming met het internationaal recht inzake de mensenrechten. Hij geeft ook aan dat elke ontbinding door een rechtbank moet worden uitgesproken.
Waarom zou deze bevoegdheid aan de regering worden toegekend?
De rechterlijke macht beschikt al over de middelen om de doelstellingen van het voorontwerp te verwezenlijken door personen die illegale handelingen hebben gepleegd aan te pakken. Daarbij worden een eerlijk proces en de rechten van verdediging gegarandeerd.
Omdat het gerecht te traag werkt, zou een dergelijke procedure aan de regering worden toevertrouwd, zonder garanties en met een totale ondoorzichtigheid op basis van voor de vereniging ontoegankelijke rapporten van de veiligheidsdienst.
De huidige tekst verwijst echter wél naar Justitie voor de liquidatie van activa, en bepaalt dat de ondernemingsrechtbank als enige bevoegd is op dit punt. Bovendien tonen concrete voorbeelden aan dat de Belgische justitie al heeft toegestaan dat de handelingen waarop de wet-Quintin betrekking heeft, worden vervolgd.
De traagheid van de rechtspraak kan geen rechtvaardiging zijn om meer bevoegdheden aan de regering te geven. Dit is een gevaarlijke verschuiving van de rechterlijke macht naar de regering.
Onze grondrechten in gevaar
In zijn verklaringen voor het federale parlement haalde minister Quintin voorbeelden uit buurlanden aan. Geruststellend is dat niet. De praktijk van administratieve ontbinding in Frankrijk legt immers de risico's van dit soort wetten bloot.
Zo is er de ophefmakende ontbinding van de milieubeweging “Soulèvements de la Terre”, die vervolgens door de Raad van State werd vernietigd. Dit sprekend voorbeeld toont perfect aan hoe zo’n ontbinding leidt tot schending van het internationaal recht en aantasting van de vrijheid van meningsuiting. Ook de recente poging om het collectief “Action Palestine” in Frankrijk te ontbinden zou tot de grootste waakzaamheid moeten aanzetten.
Het Verenigd Koninkrijk laat ook zien hoe snel een dergelijk regeringsbesluit uit de hand kan lopen: meer dan tweeduizend vreedzame demonstranten werden al gearresteerd omdat ze protesteerden tegen het regeringsverbod op “Palestine Action”. Deze voorgestelde wetgeving zou tot soortgelijke gevolgen kunnen leiden in België.
De internationale context zou ons dus moeten alarmeren: in almaar meer staten komen autoritaire praktijken voor en worden verenigingen en vakbonden verboden of beperkt in naam van de veiligheid. Elders staan de vrijheid van vereniging en meningsuiting onder druk. Waakzaamheid is geboden: onze autoriteiten mogen geen wetsontwerp aannemen dat in strijd is met het internationaal recht en de mensenrechten.
Het ontbinden van een vereniging mag geen bevoegdheid van een minister zijn. De wet-Quintin is geen veiligheidsinstrument: het ondergraaft mensenrechten, namelijk het recht om zich te verenigen en om te protesteren. En als we dit voorontwerp wet laten worden, is het risico groot dat een regering de mogelijkheid zal gebruiken om kritiek te smoren.
De coalitie Recht op protest bestaat uit ACLVB, ACV, ABVV, Amnesty International België, Liga voor Mensenrechten, Ligue des Droits Humains, Greenpeace, MOC, PAC, Cepag, Beweging.net.