De pensioenhervorming: gelijke regels, ongelijke gevolgen!
De Arizonaregering voert ingrijpende hervormingen door in de werkloosheids-, ziekte- en pensioenreglementering onder het motto ‘werken moet lonen’. Dat uitgangspunt is op zich verdedigbaar. In de praktijk blijken echter vooral werknemers met een voltijdse job, een lange loopbaan en een goed loon voordeel te halen uit de nieuwe regels. En daar wringt het schoentje: niet iedereen heeft de mogelijkheid om zo’n modelloopbaan uit te bouwen.
De sociale zekerheid fungeert als vangnet wanneer iemand te maken krijgt met tegenslag, zoals tijdelijke werkloosheid, ziekte of een fysieke onmogelijkheid om te werken tot de pensioenleeftijd. Ze steunt op twee fundamentele principes. Enerzijds is er het verzekeringsprincipe: werknemers staan een deel van hun loon af en krijgen ondersteuning wanneer ze die nodig hebben. Anderzijds is er het solidariteitsprincipe: wie het goed stelt, draagt bij voor wie pech heeft.
Soms lijkt de regering voorbij te gaan aan deze basisprincipes, waardoor de indruk ontstaat dat wie een beroep doet op de sociale zekerheid misbruik maakt van het systeem. Uiteraard bestaan er excessen, maar daartegenover staan talloze voorbeelden van correct en rechtvaardig gebruik. Dat onderscheid moet een belangrijk kompas blijven bij elke hervorming.
Pensioenhervorming treft vrouwen onevenredig hard
8 maart, internationale vrouwendag, is een uitgelezen moment om de pensioenhervorming van de Arizonaregering kritisch te bekijken, in het bijzonder haar impact op vrouwen. Die dreigt immers onevenredig groot te zijn.
In 2024 was driekwart van de deeltijdse werknemers vrouw. Omdat vrouwen sterk oververtegenwoordigd zijn in deeltijdse arbeid, zullen zij veel moeilijker voldoen aan de strengere tewerkstellingsvoorwaarden om de pensioenmalus te vermijden, in aanmerking te komen voor een pensioenbonus of vervroegd met pensioen te gaan op 60 jaar na 42 loopbaanjaren.
Daarnaast worden de gelijkgestelde periodes – niet-gewerkte dagen die meetellen voor de pensioenopbouw – in de toekomst beperkt. Bij vrouwen van 65 jaar is ongeveer 40% van de gemiddelde pensioenopbouw te danken aan zulke gelijkgestelde periodes, tegenover 30% bij mannen. De inperking ervan zal vrouwen dus harder treffen.
Een bijkomend probleem is de retroactieve toepassing van de strengere tewerkstellingsvoorwaarden. Een loopbaan kan men niet herdoen. Keuzes uit het verleden – vaak ingegeven door zorgverantwoordelijkheden – blijven zo een blijvend negatief effect hebben.
Ook het overlevingspensioen wordt beperkt, terwijl 93% van de ontvangers vóór de wettelijke pensioenleeftijd vrouw is. Vrouwen die deeltijds werken en op latere leeftijd weduwe worden, hebben vaak weinig kansen op een voltijdse job en lopen daardoor een verhoogd armoederisico.
Verder is 79% van de ontvangers van een echtscheidingspensioen vrouw. Dit recht zou verdwijnen in de hervormingsvoorstellen. Als alternatief denkt de regering aan een pensioensplit. Daarvoor bestaat vandaag echter nog geen wettelijk kader. Bovendien heeft een pensioensplit verstrekkende gevolgen op civielrechtelijk, juridisch, fiscaal, sociaal en maatschappelijk vlak. Zolang deze aspecten niet grondig zijn uitgeklaard, mogen afgeleide rechten niet worden afgebouwd.
Structurele ongelijkheid vergroot risico op onrechtvaardige uitkomsten
In zijn advies over de pensioenhervorming wees ook de Raad van State op mogelijke genderdiscriminatie. Hij stelde ook vast dat de verstrenging van de loopbaanvoorwaarde (van 104 naar 156 dagen) en de invoering van de pensioenmalus in de praktijk zwaarder wegen op vrouwen dan op mannen. De regering erkent dat verschil, maar gaat ervan uit dat vrouwen door de hervorming gestimuleerd zullen worden om langer te werken, waardoor hun loopbanen in de toekomst meer op die van mannen zullen lijken.
Die redenering vertrekt van een veronderstelde gedragswijziging en houdt volgens ACLVB onvoldoende rekening met de structurele ongelijkheid op de arbeidsmarkt. Vrouwen werken vaker deeltijds, zijn oververtegenwoordigd in lager betaalde sectoren en nemen nog steeds het grootste deel van de onbetaalde zorgarbeid op zich.
Het is daarbij belangrijk te benadrukken dat vrouwen niet expliciet strenger worden aangepakt door deze hervorming. De maatregelen zijn formeel geslachtsneutraal. In de praktijk vallen ze echter nadeliger uit voor vrouwen, omdat zij vaker ongewild deeltijds werken, lagere lonen hebben en meer onderbroken loopbanen kennen. Het probleem zit dus niet in een expliciete ongelijke behandeling, maar in het toepassen van gelijke regels op ongelijke realiteiten. Zonder corrigerende maatregelen dreigt de hervorming bestaande ongelijkheden niet te verkleinen, maar net te bestendigen.